Exposities en onthullingen vanaf 1990

Recensies

BEELDHOUWER EN VERZETSHELD BLEEF STRIJDBAAR

De Utrechtse beeldhouwer Marius van Beek ontwierp verzets- en herdenkingsmonumenten, maar ook naakten en torso’s. In Utrecht liet hij diverse sporen na. Galerie Quintessens toont op het moment beelden en tekeningen van de geëngageerde kunstenaar.

Veel mensen kennen het werk van Marius van Beek, zonder het te beseffen. In Utrecht staat zijn parmantige Francois Villon, een sculptuur van de vijftiende eeuwse Franse dichter dat zich Achter de Dom bevindt. Het beeld in in 1964 gemaakt, ter gelegenheid van het laatste openluchtspel van het Utrechtse Studenten Corps. Wie Villon over het hoofd heeft gezien, kent misschien het bezinningsmonument te Amsterdam (Plein Purmerweg-Volendammerweg), ter nagedachtenis aan de in 1940-1945 omgekomen verzetsstrijders uit Amsterdam-Noord. Anders gaat er waarschijnlijk wel een lichtje branden bij het Jan van Hoof bevrijdingsmonument, dat vlakbij de Waalbrug in Nijmegen staat. Een beeld van een man met een wapperende vlag in zijn hand, die het verzet tegen de Duitsers symboliseert. Met veel militair vertoon werd de sculptuur, waarmee Van Beek landelijk bekendheid verwierf, in september 1954 onthuld. Niemand wist dat het eigenlijk niet af was. Op de sokkel stond geen bronzen versie, maar een met bronsverf beschilderd gipsmode. Pas jaren later bekende de kunstenaar in een interview dat er tijdens de onthulling een gipsmodel stond.

Galerie Quintessens toont momenteel beelden en tekeningen van de in Utrecht geboren Marius van Beek (1921-2003). Het is de eerste expositie in ‘zijn’ stad sinds het overlijden van de kunstenaar, die als eerste van acht kinderen werd geboren boven de kruidenierswinkel van zijn vader aan de Lange Jufferstraat. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat Van Beek in het verzet en werd hij door het Polizei Standesgericht bij verstek ter dood veroordeeld. Ondergedoken bij beeldhouwer Pieter d’Hont in Utrecht kwam hij in aanraking met het vak. Gegrepen door het beeldhouwen volgde hij na de oorlog lessen beeldhouwkunst aan de Rijksacademie in Amsterdam. Ruim twee jaar draaide hij uitsluitend nachtdiensten bij het katholieke dagblad De Tijd, waar hij inmiddels als kunstredacteur werkzaam was.

De meeste beelden van Marius van Beek waren bestemd voor de openbare ruimte, zoals de enorme Crucifix die hij in 1953 voor het Utrechtse stadion ontwierp: ‘In juni 1974 word ik opgebeld door een van de stafmedewerkers van het Aartsbisschoppelijk Museum te Utrecht, die mij vraagt wat er in Jezusnaam met mijn kruisbeeld van de Kromstamfeesten (religieuze, katholieke manifestatie) moet gebeuren. Het beeld ligt daar twintig jaar op zolder, maar door dringende verbouwing en restauratie moet al het overtollige worden opgeruimd’, vertelt Marius van Beek in een catalogus ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag. ‘Een paar dagen later ben ik in het Catharijneconvent. Na een tocht over half vervallen trappen, ontluisterende ruimtes – soms ontbreekt het dak – muren met droeve vochtsporen, vind ik mijn Christus.’

Het beeld, waarvan het ontwerp bij Quintessens te zien is, werd in 1953 juichend in de pers ontvangen: ‘een aan het verlossende schandhout geslagen Christus-figuur, waaraan alle zoetelijke vroomheid ontbrak. Een haast brutaal naakte Christus met de durf tot lijden en verlatenheid’, oordeelde Vrij Nederland destijds. De Crucifix hing tijdens de Kromstaffeesten van 1953 boven de ingang van stadion Galgenwaard en verdween daarna jammerlijk onder het museumstof.

Doel Van Santiago De Chile was geen beter lot beschoren. Het beeld, met gehangenen aan een voetbaldoel, was een aanklacht tegen de misstanden van het dictatoriale Zuid-Amerikaanse regime. Van Beek: ‘Het is veel meer dan een doel alleen, het is de grote vernietigende beul, die de slachtoffers opvreet in iedere staat waar terreur heerst. Men behoort daar als kunstenaar tegen te waarschuwen.’

Van Beek trok met het Doel Van Santiago De Chile naar exposities, naar manifestaties voor vrijheid in Midden-Amerika, voor de Argentijnse moeders, tegen opkomend fascisme, etc. Op de overzichtstentoonstelling van zijn werk, ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag, wilde Van Beek het monument niet meer opbouwen: ‘Het beeld ligt in brokstukken bij mijn schuur. Die situatie wil ik nabouwen, met een deur ervoor en een rond gat erin. Een soort peepshow, eigenlijk mag je het niet zien, het is verleden tijd. Je kunt alleen nog maar gluren naar het idealisme van die dagen.’

Marius van Beek was een bevlogen geëngageerd kunstenaar, blijkt uit de thema’s van zijn belangrijkste werken. Wie op zoek is naar de strijdbare beeldhouwer, is bij Galerie Quintessens aan het verkeerde adres. De galerie toont voornamelijk behouden, klassieke sculpturen van danseressen, naakten, en vrouwenkoppen. Maar het ontwerp voor de Kromstaf Crucifix en het onlangs in Van Beek’s atelier opgedoken ontwerp voor Francois Villon maakt veel goed en toont zijn verbondenheid met Utrecht.

Karen Dukeng (Het Utrechts Nieuwsblad, juni 2005)

EEN BIJZONDERE PLEK…

Een smal spoor leidt naar het atelier en de beeldentuin. Een echt oud smalspoor, waarop Marius van Beek zijn brokken steen richting atelier rolde.

Een roestig geworden lorry als vergeten industrieel erfgoed torst nog steeds een enorme betonnen plaat. Het zou een grafsteen kunnen zijn is je eerste gedachte. Maar geen enkele steen kan de ziel van Marius en zijn werk hier afdekken of vooral bedekken.

In de beeldentuin en het atelier in Oosterbeek leeft Marius van Beek alsof er niets is veranderd. Alsof hij helemaal niet dood is…

Het ‘Midzomerweekeinde’ van Scarabee heeft deze plek ingelijfd in de kunstactiviteiten van 18,19 en 20 juni. Voor het eerst is de tuin en het atelier van de beeldhouwer Marius van Beek opengesteld voor publiek. Het atelier, waar Marius vlak voor zijn overlijden vorige herfst de laatste hand legde aan het beeld ‘Afscheid’. Het is nog in was, het beeld. Vrouw in ligstoel. Zijn overleden vrouw? Gereedschap ligt er nog bij alsof hij er dadelijk mee verder wil. ‘Dat hebben we met opzet zo laten liggen’, merkt zoon Michaël van Beek op. Een stichting is opgericht door zijn kinderen om de wens van Marius te kunnen realiseren. ‘Dit hier moest in tact blijven. Marius wilde dat jongere beeldhouwers hier verder zouden kunnen werken. Exposeren ook. De angst van Marius was dat z’n atelier leeg achterbleef. Dat alles zou worden verkocht. Hij wilde zijn werk niet versnipperd hebben.’

Het atelier staat nog sjokvol. Overal beelden, studies en try-outs. Buiten in de tuin de grote Nike; ook een oud beeld, de heilige Theresa uit zijn beginperiode tussen andere. De doelman van Chili gaat waarschijnlijk naar het Museum Beelden aan Zee. Inclusief de pamfletten en boeken en natuurlijk de bijbehorende muziek…Eén groot veelomvattend protest in woord en beeld uit die jaren ’70 van de beeldhouwer, schrijver, dichter en mens Marius, die geen genoegen nam met het onwaarachtige.

Hanneke Oberink (Hoog en Laag Cultuur, 16/6/04)

POORT VAN DE ZON

Immerloo-park, Arnhem-Zuid. Een puzzelrit door nieuwbouwwijken. De oude dijk van Huissen naar Elden biedt een door nevel versluierde blik op verlaten viswater. Aan het eind van een lange, glooiende helling prijkt de Poort van de Zon. Allerhande bespiegelingen bespringen de beschouwer. Lanceerbasis voor astronauten, een duister teken van een andere planeet. Graftempel voor een onbekende soldaat, zo dicht bij de Rijnoever. Een mastodont, monument voor de mammon, filiaal van Stonehenge. Eerbewijs aan de zon, bron van brandstof voor alle leven.

Ontdaan van alle symboliek een sterk vereenvoudigd, sprekend plastisch element in de natuur. Een ode in steen, opgedragen aan de steen. Een onverzettelijke triomfboog met aan de binnenzijden gepolijste vlakken, op enige afstand twee taps toelopende zuilen als vizier voor de in de poort te vangen lente en herfstzon, een spiegelende rode steen als klankbord voor de ouverture van de zomer. Graniet gerangschikt in geheimzinnige orde, als in een getalsverhouding.

Op de buitenzijden van de poort reliëfs, nauwelijks aangezet. Bijna tekeningen. De lijnen laten zich even raden. Dan wordt, net een ontluikende foto in de ontwikkelaar, geleidelijk het samenspel van de kerven zichtbaar. In zwoele sporen gevangen de legende van de Griek Prometheus, de held die als eerste de zon naar de aarde bracht en door Goden en gieren daar nog voor gestraft werd ook.

De beeldhouwer treedt in de heksenkring. Ontwaart resten van een afbijtmiddel, vergeefs slipt de wijsvinger over een opgedroogd straaltje. Toont zich ditmaal tevreden over het totaal. Was bij een vorig bezoek niet zo gelukkig. Zegt nog een robbertje te moeten vechten met de Plantsoenendienst. Welig woekerend groen zal in de toekomst de zon onttrekken aan het gezicht, de magie van het moment verstoren en de betekenis van het cijfer eenentwintig verkrachten, de cirkel zon-leven doorbreken.

‘Het is niet moeilijk de dingen te maken. Het is moeilijk om de toestand te bereiken waarin wij ze kunnen maken’. Is het die toestand, ontsproten aan het brein van de door Van Beek zo bewonderde Brancusi, die de beeldhouwer voerde naar de toppen van Peru? Urenlange tochten in de bus op weg naar resten van oude culturen en op zoek naar de zon, een nacht op de kale berg Huayna Pichhu, in meesterlijke zinnen beschreven in ‘Poort van de Zon’, om vooral de betovering van de zonsopgang te ondergaan. De inspiratie van de bol boven ons te ervaren, een vorsen naar verhouding, maat en samenhang. De accu opladen, nodig om te weten hoe verder te gaan, om Poort van de Zon te vervolmaken. Hoewel.

‘Verscheidene mensen vragen me, weet je nou na Peru hoe je verder moet, zijn er elementen uit de Inka cultuur speciaal inspirerend geweest? Ik vind het moeilijk daar antwoord op te geven.’ (…)

Poort van de Zon: de eerste dag van een nieuw leven. Nooit eerder deed Van Beek zoveel idee, sfeer en inspiratie op, zelden ook gaf een werk zoveel reacties, ook uit het buitenland. Wordt hem de tijd gegund, de wereld zal meer ‘zonnebeelden’ tegemoet kunnen zien. ‘Ik wil nog zoveel doen’, zegt de zonbegoochelde Michelangelo van de Veluwezoom.

(Uit: De Gelderlander, Een zonbegoochelde Michelangelo aan de Veluwezoom, 28/2/1981).

De Zonnepoort van Immerloo

In Nederland zijn ook moderne megalietenbouwers. Zo werd in 1980 door Marius van Beek een Poort der Zon met vizierstenen opgesteld in het Immerloopark te Arnhem. Wie het monument bezoeken wil, gaat bij de Bergumselaan van deze nieuwe woonwijk het wandel-en fietspad op en gaat in het park rechtsaf en over een brede trap een heuvel op, die boven een speelweide ligt. Daar ziet men in het gras, met wijd uitzicht over de weide met geboomte daarachter, gedeeltelijk flatgebouwen bedekkend, de uit grijs marmer opgetrokken poort staan: twee machtige steun stenen met een deksteen er over heen. Tussen oost en west. De opstaande stenen zijn aan de binnenkant gepolijst. De hoogte is zo, dat een mens er net opgericht onder zou kunnen staan. Op het zuidelijke zijvlak is ingegrift een halfliggende man, die met opgeheven armen een neerdalende arend, als zonnevogel, verwelkomt. Op de noordzijde ziet men een eveneens naakte man, die de Zon, voorgesteld door twee concentrische cirkels, als discus gaat voortwerpen (de Zonnegod?).

Wat verderop en lager staan de twee vizierstenen: puntig naar boven toelopend en zo geplaatst, dat een mens, die tussen hen door naar de Zonnepoort kijkt, dus oostwaarts, op 21 maart en op 21 september, dus op de beide eveningsdagen van het jaar, de Zon ziet opgaan midden in de Zonnepoort. Zo lang men de opening in het geboomte daarachter tenminste vrij houdt! – Dan verwelkomt men dus de Zon in de erepoort. En als men haar zo ziet, weet men meteen, dat het die evenings datum is. Zo deden het onze keltische en germaanse voorouders. Men kan er de proef op nemen, het park is vrij toegankelijk.

Tussen de beide monumenten in ligt terzijde een brok rood marmer, aan één kant gepolijst. Enkel ter versiering of met een bedoeling, nut of als een zinnebeeld?

Indien de naam Immerloo vanouds aan deze plek gegeven is, past de Zonnepoort hier goed, want loo betekent immers: heilige plaats in het woud. Misschien was het oorspronkelijk Inminloo, en heeft er een Irminsul gestaan, evenals te Ermelo. Ir is de naam van de godheid, betekent Heer; min betekent liefde, sul duidde op zuil. Dus: een zuil uit liefde tot God de Heer. Dat was bij de oude germanen een nagemaakte boom: een houten stam met twee omkrullende takken.

(Uit: Aarde’s levend lichaam, Millie Uyldert, de Driehoek, Amsterdam).

DE MUZEN

Raadhuisplein, Oosterbeek.

‘De Muzen’ – gegoten in brons – op het Raadhuisplein te Oosterbeek is in 1993 geplaatst. Het is 280 m. breed.

In 1993 had Marius een grote openluchttentoonstelling in Park Hartenstein in Oosterbeek. Er is omstreeks die tijd een Stichting opgericht, Beek’s Betere Beelden, die dit beeld aan de Gemeente heeft geschonken.

Het beeld ‘de Muzen’ is oorspronkelijk een ontwerp uit 1978/80 voor de binnenplaats van het Conservatorium in Zwolle en eerst uitgevoerd in polyester en daarna in brons. Dit Conservatorium was oorspronkelijk een broerenklooster.

De bronzen zwevende vrouwenfiguren, muzikaal golvend op ‘Die Kunst der Fuge’ van J.S. Bach, vertegenwoordigen een der belangrijkste – figuratieve – inspiratiebronnen in zijn werk: de vrouw, lieftallig of natuurmens, oermoeder, nachtbruid, oorsprong van leven.

Commentaar van Marius van Beek op ‘De Muzen’:
‘Eind jaren ’70 werkte ik aan voluptueuze vrouwenfiguren. Ik probeerde aan de aarde te ontstijgen met gevleugelde of zwevende beelden. ‘De Muzen’ is uit die tijd. Het is een horizontaal, zwevend teken, als tegenwicht tot de verticale architectuur van het voormalige Broerenklooster. Bij de bouw van het conservatorium wilde de architect de middeleeuwse stijl zoveel mogelijk behouden. ‘De Muzen’, op de binnenplaats, is geïnspireerd op de laatste compositie van Bach, ‘Die Kunst der Fuge’ en verbeeldt een harmonisch samenspel door in en uit elkaar golvende lijnen en openingen in de expressieve massa van twee figuren.’

(Uit: Informatieblad Libije hedendaagse kunst Zwolle bij de tentoonstelling 20/5-19/6-1988)

EEN BARST DES AANSTOOTS

Tragedie in de polder: ‘Zeespiegel’ van Marius van Beek krijgt een prothese.

De kunstenaar grijpt naar zijn hoofd. Dit was zijn gaafste beeld. Nu is, als het goed is, alles wat je maakt beter dan het vorige, maar dit was toch echt het mooiste dat hij ooit bedacht. Maar hoe die barst erin kon komen? Hij heeft zich nog één keer voor de gemeenteraad verdedigd en is toen spoorslags naar Anatolië vertrokken, zonder zelfs de uitslag van de stemming af te wachten.

De glasfabrikant zegt dat hem het schaamrood naar de kaken is gestegen, maar ook hij heeft geen idee hoe in de dikste glasplaat van Nederland een scheurtje kon komen. De deskundigen van TNO of van de TH in Delft stonden op zijn vragen ook al met de mond vol tanden. ‘Ze komen met wat brijerige antwoorden, maar niemand weet het echt.’

B en W waren het hele gedoe na twee jaar vergaderen en het nog een keer opnieuw proberen beu; ze wilden het beeld liever helemaal afbreken dan het constant in reparatie te hebben. De gemeenteraad ten slotte gaf de kunstenaar nog een kans. Hij mag nu met spiegels suggereren wat hij in werkelijkheid wilde.

Het is een idee, even geniaal als eenvoudig. Een beeld in een nieuwe polder dat de oude zeespiegel laat zien. Iedereen liep er mee weg. Een teken van deze tijd dat verwijst naar een ver verleden. Maar soms kan de techniek zo’n eenvoudige gedachte niet volgen.

Op een fris gazon in het hartje van de polder – volgens het oude lied ging hier eens de zee te keer (‘maar die tijd komt niet weer/Zuiderzee is nu IJsselmeer’) – staan twee eenzame granieten zuilen. In het gras ervoor ligt, afgedankt, het breekbare glas. Zeespiegel, Marius ’83 staat in een van de zuilen gekrast. Het graniet had het glas als een hoog oprijzend aquarium moeten steunen en daarbinnen zou het water klotsen op het oude waterpeil van voor de drooglegging, bijna vier meter boven AP.

Iedereen die het zag zou naar de waterzuil opkijken en zich realiseren hoe klein en nietig hij daar was, op de bodem van de zee, en hoe groots en heldhaftig het werk van de dijkenbouwers en droogleggers. Maar het glas hield het amper tot de onthulling. Marius van Beek heeft er nachten wakker van gelegen. ‘Je kan’, zegt hij ‘onder zo’n werkstuk echt lijden.’

Twee jaar geleden werd zijn beeld in het kader van een één percentsregeling op het gazon bij het Centrum voor Kunstzinnige Vorming in Lelystad geplaatst. ‘Iedere keer dat ik door het polderland reed, dacht ik: Hier hoort water te zijn..’ Op Schiphol merk je niet zo dat je zo diep beneden de zeespiegel bent. Maar hier in die polders voel je hoe hoog het water heeft gestaan waar ze nu allemaal wonen.’

Hij liet bij TNO en bij de TH in Delft onderzoeken hoe dik het glas moest zijn om de druk van vier kubieke meter klotsend water te weerstaan en vond de Amsterdamse glasfabrikant Van Tetterode bereid het beeld uit te voeren. ‘Het moeilijkste was nog om graniet te vinden van die afmeting, 4:30 meter hoog..’ Het glas werd dertien centimeter dik en in zeven lagen gelijmd, want niemand kan in één keer zo dik glas maken. Het water ging erin. ‘Dit is het’, dacht ik, ‘het gaafste werk dat ik ooit gemaakt heb.’ En minister Brinkman was zo goed zijn Zeespiegel te onthullen.

Een paar dagen later al werd hij opgebeld dat er een scheurtje in het glas zat. ‘Een stukje tape, dacht ik, achtergebleven van het kitten, maar het bleek toch dat een van de zeven lagen aan het barsten was. ‘Dat kan geen kwaad’, vonden we, ‘er zijn nog zes lagen’. Maar het werd een steen des aanstoots. Ik heb het met Van Tetterode besproken. Daar vonden ze het eerst ook geen ramp. Het was geen etalageruit tenslotte, maar het werd voor ons toch een erekwestie.’

Dat was twee jaar geleden. Ze besloten de ene glaswand toch te vervangen. Het glas werd losgezaagd. Over het hele geval ging een tent om bij het nieuwe kitten van nieuwe lagen glas een constante temperatuur te houden. ‘We hebben tien dagen gewacht op de verharding, maar er zaten gelijk weer een paar barsten in.’

Het is het verkeer, zei de ene deskundige, de barsten ontstaan door trillingen. Het is de thermische spanning, zei de ander, de zonnewarmte verspreid zich niet gelijk over alle zeven lagen. Of het nu de ene oorzaak of de andere is – slechts één van de twee platen vertoont scheurtjes. Bij de ander is niets aan de hand en dat geeft iedereen, tot hoofdbrekens toe, te denken. De gemeente zocht – ‘achter mijn rug’, zegt Van Beek mismoedig – naar de toepassing van hardglas. ‘Maar dat kan breken als een autoruit. Ik moest er niet aan denken, spelende kinderen, een ongelukje, al die glassplinters en dan die massa water. Het is een soort glas dat kan breken zonder dat je het ziet. Je hoeft er dan maar tegenaan te tikken of het gaat in stukken. Ik zag het al voor me. Een kind dat zijn fietsje er even tegenaan zet.’

Hij begrijpt er nog steeds niets van. ‘De mensen van Van Tetterode hebben glas gemaakt voor alle mogelijke aquaria, voor Artis, voor een zeehondenbassin in een andere dierentuin. Een stuk minder dik dan dit nog, en nooit een centje pijn gehad. Maar dat was nooit buiten en ook nooit blootgesteld aan zonnewarmte.’ Hij vroeg een professor uit Delft om advies. ‘We kunnen er wel drie maanden op studeren’, kreeg hij als antwoord, ‘kun je niet beter iets bedenken dat de suggestie van water geeft.’

Bij Van Tetterode dachten ze dat ze de eerste keer misschien een foutje hadden gemaakt. ‘We hebben het opnieuw gewdaan’, zegt de fabrikant, ‘maar de nieuwe plaat haalde niet eens de ochtend.’ Niemand heeft de vakman de oorzaak duidelijk kunnen maken. Ze hadden het graag, zegt hij, nog een keer overgedaan, maar wel met een zekere garantie dat het dan goed zou gaan en die kon niemand geven.

‘Het is een beetje beschamend, maar niemand, TNO niet, de TH niet, de grote glasjongens niet, kon een oorzaak aangeven.’ De glasfabriek heeft hetzelfde systeem ook elders toegepast. In het Noorder Dierenpark bijvoorbeeld. ‘Precies eender met dezelfde kit en er was niets aan de hand.’ Het glas in Zeespiegel, zegt de fabrikant nog altijd verbaasd, was vrij opgesteld, rustte mooi tegen de sponning, zonder enige spanning. ‘Een moeilijk verhaal, we hebben enig schaamrood op de wangen, heel lullig voor Marius, hij heeft er niets aan verdiend en het is niet goed voor zijn naam ook.’

Er volgde het nodige geharrewar met de gemeente, wat uitliep op een advies van B en W het beeld maar helemaal af te breken, maar na enig aandringen kreeg Marius van Beek de kans voor de raadscommissie zijn alternatief te verdedigen. Hij wil het beeld van water suggereren met spiegels en het oude waterpeil met brokken gesmolten glas.

Tussen drie alternatieven: afbreken, laten zoals het is en de spiegels, koos een meerderheid voor Marius van Beek. Op kosten van de kunstenaar wordt zijn voorstel uitgevoerd. Keurig, zoals dat in ambtelijke termen heet, in een anti-vandalistische variant. Geen spiegels dus, maar strakgepolijste stalen platen. Er mocht eens weer een barstje in komen.

We tillen een beschermend schot weg. Zeespiegel? Prachtig spiegelen de twee zuilen zich onder de polderhemel opeens in het vuistdikke glas, waar in de diepte het onderliggende glas schemert.

Middenin de zomer een beeld van de winter.
IJs.

En wat voor ijs. De droomwens van de eenzame schaatser. Pikzwart met hier en daar een belletje (of een barstje). En ik zie me weer, op mijn buik liggend ergens middenop een plas, het schaatsen vergetend en turend naar dat wonder van een ingevroren plantje.

‘Er wordt gepropageerd’, zei de kunstenaar voor hij zich terugtrok, ‘dat je experimenteert, dat je nieuwe wegen gaat ontdekken. Maar als het op technisch gebied een fiasco blijkt, dan zit je toch wel met je handen in het haar.’

WILLEM ELLENBROEK (Uit De Volkskrant, 1985).