Foto Silvia ten Bokkel Dorendal school Doorwerth maart 2011

Juni 2011

VERSLAG ATELIERBEZOEK ATELIER MARIUS VAN BEEK
door Sandra van Beek

Van 9 maart t/m 6 juni 2011 hebben 8 groepen kinderen van de groepen 7 en 8 van 7 basisscholen uit de Gemeente Renkum het atelier van Marius van Beek bezocht in het kader van het Kunstmenu. Samen waren het zo’n 200 kinderen. Hoewel het programma moeizaam startte doordat er twee klassen van Dorendal en de Paasberg-scholen uitvielen, is het programma deels toch ingehaald. Tevens is het programma weer zeer goed ontvangen door de kinderen, de leerkrachten en de begeleidende ouders. We kunnen daardoor terugkijken op een geslaagd seizoen.

De groepen 7 en 8 tekenden in voor het atelierbezoek:
9/3 Airborneschool Renkum, 18/3, 30/3 Dorendal Doorwerth groep 7/8, 13/4 Schweitzer Renkum, 20/4 Marlijn Oosterbeek (2 x), 11/5 Mariënborn Oosterbeek, 25/5 Wegwijzer Doorwerth, 1/6 Dorendal Doorwerth, 6/6 Paasberg Oosterbeek
Het rooster wordt samengesteld door Leonard Krijgsman van ’t Venster met Sandra van Beek, organisator met de Stichting Marius van Beek. Zij houdt ook de rondleidingen langs de beelden De Muzen en De Vredesengel van Marius in Oosterbeek. In het atelier begeleiden de kunstenaars Mila van Beek en Elma van Imhoff (en een keer de invaller Annemarie Noorderwerf).
Het bleef onduidelijk waar aan en aan wie het nu precies lag dat deze scholen op de afgesproken woensdag andere activiteiten hadden gepland.
 
Films op Dvd
Voorafgaand aan het atelierbezoek hebben de leerlingen in de klas de twee korte films Beeks Betere Beelden en een Klokhuis aflevering op DVD gezien over Marius, een introductie tot het werk van een beeldhouwer. Deze films zijn op klein formaat te zien op de website www.mariusvanbeek.nl bij ‘educatie’. Het werkt beter als de leerlingen beide films gezien hebben. Met name kinderen kunnen zich goed inleven in de Beeks Betere Beelden film, zo blijkt ieder jaar uit de vragen die ze stellen over het oeuvre van Marius, met name over de beeldengroep Het Doel van Santiago de Chile. Vaak komen ze in het atelier met de vraag: waar zijn ‘de gehangenen’? Zo vond dit cursusjaar een groepje van De Dorendal school vrij snel dat door de spleten van de schuur achter het atelier de gehangenen zichtbaar zijn.


foto Marjoleine Garcia Perez Airborneschool

Introductie atelier beeldhouwer

Uit de films hebben de kinderen niet kunnen opmaken dat Marius van Beek niet meer leeft. Nadat ze in het atelier komen en wat hebben rondgekeken - wordt door één begeleider aan ze verteld, dat Marius van 1958 tot aan 2003 in dit atelier gewerkt heeft en hij er zijn beelden heeft nagelaten. En dat het uniek is om dit te kunnen zien, omdat hij hier meestal alleen werkte. Dan wordt er aan hen iets verteld over de beelden die overal staan opgesteld. Zoals zijn laatste grote beeld van een vrouw in een ligstoel, Afscheid, dat is gemaakt van zwarte was (het materiaal, waarmee de kinderen ook werken). Twee van de drie begeleiders zijn dochters van Marius. Soms wanneer we even vergeten zijn ons duidelijk te introduceren vragen de kinderen hier zelf naar als ze de Beeks Betere Beelden film hebben gezien. In deze film hebben ze Marius op archiefbeelden aan het werk kunnen zien. Het verhaal over hem komt meestal vanzelf op gang zodra de kinderen vragen stellen.

Demonstratie van beeldje in was gieten
Tijdens de introductie worden door de twee begeleiders oorbereidingen getroffen voor de demonstratie van het in was gieten van een beeldje van een kopje (hoofdje). Dit gebeurt op de tafel. Rondom de tafel is dit gieten voor de leerlingen zichtbaar.
Op de tafel worden de afdrukken van het beeldje getoond. Dit zijn de z.g. ‘steunmallen’ – de twee buitenhelften van gips - en daarin twee siliconen (rubber) mallen. De steunmallen worden tegen elkaar aan gelegd en met een touw dichtgebonden.
De zwarte harde was wordt intussen in een steelpan op butagas verhit. Zodra de was goed gesmolten is, wordt deze in de opening van de holte van de hals van de mal gegoten. De was stolt en hecht zich aan het binnenste van de mal. Als er een vlies zichtbaar is, wordt de overige gesmolten was teruggegoten in de steelpan. Het touw met de twee helften van de mal wordt losgemaakt en het wassen holle kopje komt uit de siliconen mal tevoorschijn.
De was moet precies goed gesmolten zijn om zich goed te kunnen hechten aan de mal. Dit lukt niet altijd precies. Soms komt alleen een helft van het kopje goed uit de mal tevoorschijn. De leerlingen kunnen met eigen ogen zien dat het gieten een precies, zorgvuldig ambacht is. Ze zijn dan ook verrast en hebben hier zichtbaar veel aandacht voor. Ze vergelijken het met een holle chocoladevorm. Daarop gaat het gegoten wassen kopje van hand tot hand om het materiaal goed te kunnen voelen: ‘Oh, hij is nog warm!’
Het maken van een mal en het gieten van een beeld in brons is op www.mariusvanbeek.nl bij educatie en video te zien en een korte film over dit proces.

Splitsen van de groep
Na de demonstratie van het gieten in was wordt de groep door de leerkracht gesplitst. Een groep gaat mee op de wandeling voor de rondleiding langs de beelden en de andere groep gaat een beeld(je) maken in het atelier.

Zoekopdracht steen
Volgens het lesprogramma hebben de kinderen een steen moeten zoeken. Soms hebben ze geen steen bij zich en kunnen ze deze alsnog in de tuin of tijdens de wandeling vinden. Ze nemen allerlei soorten stenen mee, van een simpel kiezelsteentje tot een zware baksteen en vragen meestal zelf wat ze met de steen gaan doen. De begeleiders leggen uit dat ze de steen kunnen gebruiken als sokkel, of de steen verwerken in het beeld(je) dat ze gaan maken.
Meestal hebben de kinderen zelf een verhaal over de steen, waar ze deze gevonden hebben etc. Een Mariënborn-school leerling noemde de steen ‘een part time’ steen omdat deze thuis altijd voor een muizenhol ligt. Een ander van dezelfde school zei dat de steen die hij had meegenomen zo glad en rond was dat deze aan een struisvogelei deed denken.

Verkennen van materiaal
De groep in het atelier werkt deels in zwarte was en deels in rivier- en chamotte klei aan twee verschillende tafels met ieder één begeleider.
De zwarte was: Van een plak zwarte harde was worden repen en stukjes afgesneden. Deze stukjes moeten eerst gekneed worden in de handen om ze zacht te laten worden, alvorens er mee te kunnen boetseren. Een emmer met warm water staat op de tafel, waar de leerlingen met hun handen de zwarte was in kunnen kneden. Sommige kinderen blijven lang met hun handen in het warme water, anderen roepen dat ze het uit elkaar en open scheuren. Zodra de kinderen een balletje was hebben gekneed vraagt de begeleider of ze het balletje willen wisselen met degene die naast ze staat of zit. De kinderen amuseren zich daarmee: ‘wat voelt de jouwe zacht!’  Het voordeel van was is dat het lang goed blijft en steeds opnieuw bewerkt kan worden. Klei is feitelijk een gemakkelijker materiaal, omdat de klei al zacht is, als deze uit het pak plastic komt. Na het boetseren moet de klei met water vochtig gehouden worden en in plastic verpakt om er nog in door te kunnen blijven werken. Dit advies wordt ook aan kinderen gegeven wanneer ze later verder aan het beeldje door willen werken.    

Wat te maken, inspiratie en methode
Sommige kinderen weten meteen wat ze willen maken, zoals: ‘Ik maak een jetpack, een dingetje op je rug waarmee je jezelf de lucht in schiet.’ Heel vaak komen dieren tevoorschijn, een vogel, kangaroe, eend, schildpadjes, visjes of een egel.  Of het beeldje wordt abstract. Letterlijk zei een kind van de Schweitzer-school: ‘Ik volg mijn instinct, ik maak vormen.’ Na een tijdje ontstaan ideeën vanzelf. Soms ontstaat het als reactie op wat het materiaal doet, bijvoorbeeld in combinatie met de steen. 
De kinderen raken vaak geïnspireerd door de omgeving of door de rondleiding. Zo wordt De Vredesengel nagemaakt. Andere kinderen doen er langer over om te bedenken wat ze willen maken, of gaan elkaar nadoen. Onzekerheid (wat moeten we nu doen?) verdwijnt op den duur, wanneer de kinderen de klei en was gaan kneden.
De begeleiders wijzen de kinderen soms op kleine beelden van Marius. Dit kan ze op een idee brengen. Tevens kan een afbeelding uit een boek inspireren, zoals een boek over Picasso. Dit cursusjaar hebben we meerdere kopieën gemaakt uit een boek over Picasso’s beelden. Sommige kinderen (Dorendal) maken de maskerachtige, op etnografie geïnspireerde vormen uit zichzelf en hebben Picasso er soms niet meer bij nodig!
Een kind maakte vanaf een zwarte steen uitlopers van zwarte was en verlengde zodoende de steen. Op het verlengstuk plaatste hij figuurtjes van zwarte was. Een leerling van Dorendal had een enorm grote steen meegenomen waarop hij een hockeyveld afbeeldde met minuscule spelers en een goal van zwarte was. Een ander kind had een enorm gebergte van klei gemaakt waar water van klei uit stroomde. 
We gaan als begeleiders uit van de gedachte, dat creativiteit of inspiratie op den duur vanzelf ontstaat, wanneer er ruimte gegeven wordt en er vertrouwen is in de fantasie van het kind. In dit proces speelt mooi of lelijk geen rol en wordt ook niet naar een kant en klaar werkstuk gestreefd. De begeleiding mengt zich niet letterlijk in het werk om het te ‘verbeteren’. Het laat het aan het kind over en stuurt bij in het geven van suggesties, mogelijkheden of het stellen van vragen.
Enige theoretische achtergrond ontleenden we uit het boek en de video ’t Tijdloze uur van de kunstenaar en leraar Michiel Dhont waarin individuele en gezamenlijke teken en kleioefeningen staan beschreven.Tevens de onderwijsvorm van Reggio Emilia en de honderden werelden van kinderen die zichtbaar tot uiting kunnen komen.
De kinderen laten zich vanzelf inspireren door de omgeving. Of een sokkel gekleid met een steen erin, geïnspireerd op een beeld van Marius uit het atelier of ze inspireren elkaar.
Sommige woorden vragen terugkerend om enige uitleg en er wordt door de begeleiding over nagedacht hoe deze woorden als ‘karikaturaal’, ‘figuratief’, ‘abstract’, ‘muze’, ‘inspiratie’ en ‘universele symbolen’ het beste te vertalen.

Gebruik van de steen
Hoe de kinderen de steen gebruiken wordt hen overgelaten. De begeleiders geven wel suggesties; laten het kind de steen bijv. van alle kanten bekijken om te zien welke kant het meest geschikt is of mooi wordt gevonden om er ‘iets’ mee te gaan doen.
Sommigen gebruiken andere materialen, die ze in de omgeving vinden, zoals een scherf of grassprieten, een takje of boter- en paardenbloemen uit de tuin. Ze laten hun fantasie vaak gaan, vertellen hele verhalen en verzinnen met de begeleiders de meest onverwachte titels voor hun beeldjes, zoals ‘platte kikker’ of ‘konijnenkoning’, het werkwoord ‘gegrassoneerd’ voor iets dat onder het gras zit en een figuurtje dat ‘mannenmelk’ drinkt in plaats van moedermelk. (Marlijn). Andere fantasiewoorden voor beeldjes: ‘twee benen met een vierkante luier’ en ‘kip met een kontgat’. Dit keer hebben we extra aandacht gegeven aan de titels door deze te noteren.
Sommigen zien een varken of een beer in de steen of in de gevormde klei en gaan op die vorm door. Zo ontstaan er geleidelijk aan beeldjes, waarin de steen vanzelf is opgenomen: ‘Geen idee wat ik aan het maken ben. Het lijkt een dinosaurus. Dan maak ik er een dinosaurus van.’ Of: ‘Dit wordt een poort. Die stortte in. Nu heb ik een mannetje gemaakt die er bij staat.’ (Schweizer). Zo ontstaat er een stoel van zwarte was op een steen en ontstaan er de zogenoemde ‘steenmannetjes’, die met twee armen een steen vasthouden waar weer een piepklein poppetje op geboetseerd is. Of een mannetje en vrouwtje die in elkaar overlopen in klei en zwarte was (Dorendal).  Een meisje van de Mariënborn school pakte de steen helemaal in met zwarte was tot er een klein, dik vrouwfiguurtje ontstond ‘dat de buik vol heeft van een steen’.
Er ontstaat verrassend genoeg een gevarieerde fantasie: een mannetje op een heuvel met wind in zijn haar. ‘Dat heb ik van een film. Maar dan zie je een paard die wind krijgt in zijn manen. De film heet Spirit.’ Er komen ook praktische, nagemaakte voorwerpen tevoorschijn, zoals een dobbelsteen. Vaak ook dezelfde vormen, zoals hartjes en naamplaten.
Soms is het lastig, wanneer het beeld(je) niet lukt. Een plak klei op tafel uitrollen tot een pannenkoek plakt en komt niet meer los van de tafel, of een beeld dat uit elkaar valt of omvalt. Op zo’n moment is er een nieuw stuk klei voorhanden om het beeld alsnog mee te verstevigen of om het te veranderen.

Omgeving van atelier
De kleine rails en de lorry, het treinstel, die van de weg tot in het atelier leidt, trekt altijd veel bekijks. Op de lorry ligt nu een grote, zware, platte steen met een reliëf van een soldaat erin. Aangezien alle kinderen altijd willen weten waar de rails voor dient, wordt hier nu meer aandacht aan besteedt. Er is er altijd wel één kind dat weet dat de lorry ‘voor zware stenen en beelden is, dan gaat ie zo...’. Bij de lorry begint de rondleiding.



Kijken naar beelden

Sommige kinderen weten wel dat er bij het Gemeentehuis in Oosterbeek een beeld staat, maar wat is het? Als ze er om heen lopen en het betasten, vertellen ze wat ze zien: ‘Een man, een man, nee twee vrouwen, het zijn lesbo’s,  ze vliegen, ze zwemmen, ze hebben haar en ze hebben vleugels’ etc. Op die manier ontstaat er een verhaal over de Muzen, of, ‘de Muizen’, zoals een kind op het plaatje op de sokkel las
Aan de leerlingen wordt door de begeleider verteld dat er van de Muzen twee beelden bestaan, dit beeld in Oosterbeek en één in Zwolle. Dat Marius De Muzen oorspronkelijk maakte voor het Conservatorium in Zwolle. Wat is een Conservatorium, wie speelt een muziekinstrument? Zo ontstaat er een verhaal. Over dat Marius de opdracht kreeg een beeld voor het conservatorium te maken en zich afvroeg hoe hij muziek zou verbeelden:..Hoe doe je dat? Hoe hij zich liet inspireren door de muziek van Bach en de Muzen voorstelde als de inspiratie, als deze twee zwevende figuren, die een golvende beweging maken als de muziek. Dat het beeld later opnieuw gegoten is in brons voor Oosterbeek, omdat er lange tijd geen beeld van Marius in Oosterbeek stond, terwijl hij hier al zo lang werkte. Het verhaal gaat verder over het proces van het in brons gieten dat vergelijkbaar is met het gietproces dat de kinderen vooraf in het atelier in het klein in gesmolten was hebben gezien. Over dat zo’n groot beeld nooit in één keer kan worden gegoten - omdat het nooit in een oven past - maar dat het beeld in stukken in verschillende mallen wordt gegoten en later in elkaar wordt gelast. En dat je soms de las in het beeld nog kunt zien. De kinderen vinden het zichtbaar leuk om te ontdekken, waar de lassen gezeten kunnen hebben.
Er zijn in de rondleiding een paar toevoegingen, zoals: wat is toegestaan met een beeld in de openbare ruimte? En het kleuren en het verkleuren van brons
Aan de kinderen wordt verteld dat Marius het juist leuk of goed vond als een beeld werd aangeraakt, gevoeld en hij er ook geen bezwaar tegen had als er tegenaan werd gehangen. Als daarna aan ze gevraagd wordt: Wat zou hij niet goed en leuk hebben gevonden? reageren ze meestal meteen. Ze weten het altijd precies: ’geen graffiti, geen kauwgum, niet iets er tegenaan gooien.’
We hebben het Christusbeeld voor de katholieke kerk bij de rondleiding betrokken om te tonen dat brons, wanneer het niet wordt opgepoetst of aangeraakt groen gaat uitslaan. Brons komt feitelijk goudkleurig uit de oven en kan dan vervolgens – naar de wens van de beeldhouwer – worden ‘gepatineerd’ met een zwarte, bruine, blauwe of groenige verf, die wordt ingebrand.
Het beeld De Vredesengel in Bato’s Wijk is minder bekend voor de kinderen en werkt meer op het voorstellingsvermogen. ‘Hij staat op één been! Hij heeft één vleugel. Hij heeft van alles één!’ is meestal het eerste dat opvalt: ‘Hij is een slachtoffer!’ Bij de uitleg over deze plek en het beeld en over de Duitse bezetting van Oosterbeek in de Tweede Wereldoorlog zijn de kinderen meestal belangstellend. Nog meer interesse tonen ze voor de manier waarop het beeld kan staan. Aan hen wordt gevraagd hoe ze denken dat dit kan. Je ziet de hersenen denken en ze reageren snel, tot er één met de oplossing komt: ‘Er zit een stang onder!’ Het beeld staat, op één teen balancerend, verankerd met een buis in de grond. Er is veel interesse voor de constructie en de vragen over hoe het beeld kan staan en waarom het zo sterk verankerd moet staan.



Het tentoonstellen en bespreken van het werk

De beelden die de kinderen hebben gemaakt worden buiten voor het atelier op de steen op de lorry voor iedereen zichtbaar tentoongesteld. In het laatste kwartier van de les houden we nabesprekingen. De kinderen zijn trots en vinden dit erg leuk, ze kunnen niet wachten om iets over hun werk te vertellen. Ze geven elkaar vaak complimenten, zeggen er wat aardigs of grappigs over. We hebben hier niet veel tijd voor, maar het zou mogelijk moeten zijn als ze er op door kunnen gaan op school en bijv. een verhaaltje bij hun beeldje schrijven.  

Praktisch verslag

Communicatie tussen scholen, ’t Venster en organisatie atelier
De uitval van twee scholen dit seizoen heeft er onder meer toe geleid dat door de organisatie/begeleiders de afgesproken datum op de vrijdag voor de woensdag met de school wordt gecheckt (’t Venster doet aan het begin van het schooljaar de eerste check met de scholen over de ontvangst van het rooster en de inhoud van het lesprogramma). Het rooster zal voortaan op de website www.mariusvanbeek bij ‘educatie’ komen te staan. Tevens is er door de begeleiders in het atelier een handleiding opgesteld voor het lesprogramma voor het geval dat er invallers ingeschakeld moeten worden.

Dvd Distributie

Alle scholen ontvangen vooraf één DVD, waarop de 2 korte films staan. Het is de bedoeling deze terug te geven bij het atelierbezoek. Als een school de DVD wil houden kan dit geregeld worden. Bij sommige scholen werkte de DVD niet goed op hun speler of er was geen tijd om beide films te zien.

De locatie van het atelier

De organisatie van ‘t Venster geeft de locatie van het atelier door aan de scholen. De locatie staat niet op de website vermeld.  

Parkeergelegenheid voor fietsen

De leerlingen kwamen meestal op de fiets of lopend naar het atelier. Fietsen worden in de doorgang geparkeerd, rechts en links tegen de doorgangsmuur en in de tuin. We gaan niet fietsen naar de beelden in het dorp. Een wandeling kent voordelen. Er wordt druk gepraat, soms worden liedjes gezongen uit de musical die groep 8 voorbereidt.

Woongedeelte atelier

Het aangrenzende woongedeelte van het atelier is verhuurd. Dit betekent, dat een gedeelte van de beeldentuin om de hoek bij het atelier niet kan worden bekeken.

Warme werkkleding en schoenen

Het vroege voorjaar van 2011 was redelijk warm. Er is voor gezorgd dat de verwarming in het atelier aan is. Toch dienen de leerkrachten er rekening mee te houden dat het in het stenen atelier in de ochtend nog vrij koud kan zijn. Behalve warme kleding is het aan te bevelen werkkleding en goede (wandel)schoenen te dragen. De maand mei was zo warm dat we buiten in de tuin konden werken aan de tafels! Het buiten werken is extra aantrekkelijk en inspirerend. Het is aan te bevelen wanneer dit mogelijk is om het rooster zo in te delen dat we mogelijk wat later in maart beginnen en langer doorwerken tot begin juni.

Materiaal

Met opzet is gekozen alleen in klei en was te werken en niet in steen te hakken. Voor hakken zijn beitels en hamers nodig. Rondvliegende steen scherven en gruis lijkt ons niet praktisch. We hebben geen voorzieningen om beeldjes te bakken. We hebben met zowel rivierklei als chamotteklei gewerkt, aangezien chamotte sterker en langer houdbaar is.
We hebben vorig jaar een idee gelanceerd bij ’t Venster en de Gemeente om met de kinderen klei uit de rivier aan de Rijnoever uit te graven. Een voordeel is om dicht bij huis de klei uit de rivier te scheppen, een nadeel is dat de rivierklei vervuild is. Het zal dus de nodige voorbereidingen en begeleiding vergen.
Dit cursusjaar zijn we op het idee gekomen dat het aan te bevelen is als de lessen een vervolg krijgen, d.w.z. met een school minstens tien lessen uitwerken, zodat de ontwikkeling zichtbaar wordt in het werken met klei en was. En tevens de mogelijkheid te verkennen met bijv. klei op papier te werken met verf. Het ‘kleiproject’ zou zich hier uitstekend voor lenen, om bijv. drie achtereenvolgende lessen mee te maken van de eerste les klei uit de rivier te halen (of in ieder geval de klei aan te duiden aan de rivier), de tweede les met klei op papier te werken en de derde les de klei in te kleuren met acryl verf in aardekleuren. Dit werken op papier hoeft niet in het atelier te gebeuren, maar kan bijvoorbeeld ook op school worden gedaan. Tevens kan van dit proces uitvoerig en nauwkeurig verslag worden gedaan door ons.   

Gedrag

Over het algemeen hebben zich weinig problemen met de kinderen voorgedaan. Soms, wanneer ze hard rammen op de tafels met de klei laten we ze eerst een stuk klei tot een bal kneden. Soms vliegt er een balletje door het atelier. Soms hebben kinderen mobiele telefoons bij zich. Het is beter geen mobiele telefoons mee te nemen omdat deze zo afleiden. Over het algemeen is het gedrag zeer positief. Niet alleen de leerkrachten, maar ook sommige kinderen geven een handje en bedanken de begeleiders na afloop.

Begeleiding scholen

Het aantal docenten/ouders dat naar het atelier meekomt varieert nogal. Soms is er slechts een leerkracht en soms komen er meerdere begeleiders of ouders mee. Soms werkte een leerkracht mee met beelden maken (Dorendal), soms is een leerkracht zeer goed op de hoogte van Marius’ werk (Mariënborn). Op zich is het voor ons geen bezwaar als er maar één leerkracht mee komt naar het atelier. Toch werkt het over het algemeen voor ons beter als er tenminste één leerkracht en één ouder bij is. Het werkt voor ons prettig als de leraar een natuurlijk overwicht heeft en zich niet met de inhoud van onze lessen en in het werken met de kinderen bemoeit.

Wandeling en excursie naar de beelden

Bij alle andere scholen waren er een of twee hulpouders bij, die ofwel in het atelier bleven of meegingen naar de beelden. De docent ging soms op beide wandelingen als de verantwoordelijke persoon mee. Een extra attractie voor de kinderen bij De Vredesengel is de ‘apenrots’ beneden in het dal. De kinderen willen hier altijd naar toe en dus krijgen ze even die kans.

Vervoer beeldjes

We hebben in een paar gevallen de beeldjes na afloop in dozen naar de school vervoerd, omdat er geen ouder met auto beschikbaar was. Het werkt voor ons beter als er een ouder is die de beeldjes naar school meeneemt. We begrijpen dat dit soms niet mogelijk is.

Conclusie

Ondanks haperingen in de communicatie zijn de bezoeken aan het atelier over het geheel genomen succesvol verlopen. Leerlingen, begeleiders, docenten en begeleidende ouders zijn enthousiast. De resultaten verrassend. Deze zijn te zien op www.mariusvanbeek.nl bij ‘educatie’.
Voor ons is het te merken wanneer scholen meer of minder tijd en aandacht besteden aan creatieve vakken. De kinderen van de ene of de andere school gaan vrijer of meer schuchter om met het materiaal en met het krijgen van een idee, of ze zijn meer of minder onzeker dat het ‘goed’ moet zijn. Vergelijkend is de ene groep nieuwsgieriger, de andere wilder of rustiger, de ene wat meer en de andere minder beschaamd over naakt in de kunst en meer of minder gewend aan creatieve uitingen. Over het algemeen verliepen de bezoeken prettig en waren er weinig of geen incidenten.
Aan het zelf beeldjes maken is direct resultaat af te zien. Dit is opnieuw zeer verrassend. De impact van het bekijken van de beelden tijdens de rondleiding is minder opzichtig, maar draagt in ieder geval bij tot bewust(er) kijken naar beelden in de omgeving.

De woensdagochtend blijkt een geschikte dag en tijd voor het atelierbezoek. Ook de periode is goed gekozen; de leerlingen van groep 8 hebben dan hun verplichte toetsen achter de rug. Dit jaar zijn ook de groepen 7 bij het atelierbezoek betrokken. Het programma werkt zeer goed. De begeleiding raakt meer en meer bedreven door eerder opgedane ervaringen. We willen het lesprogramma graag uitbreiden.