Skip to content

wat zal ik maken

Er zijn 3 à 4 begeleiders: Mila van Beek, Sophie Bekkering, Sandra van Beek (organisatie), Annemarie Noorderwerf.

De begeleiders ontvangen de groep in het atelier. Het atelier heeft hoge ramen op het noorden, waar het scherpe noorderlicht goed doorheen schijnt. De lichtval is belangrijk bij het werk.

De vloer is van steen en moet tegen een stootje kunnen, omdat er met veel water met klei en gips gewerkt wordt.

Er wordt een demonstratie gegeven van een kopje gieten in was. Het beeld wordt afgegoten in een vorm, een mal. Dit is een holle afdruk in gips of siliconen van een beeld. De vorm is nodig om het beeld mee af te kunnen gieten in een ander duurzaam materiaal, zoals was, brons of polyester.

De kinderen bekijken in het atelier de beelden, de werkbank met gereedschap

en het materiaal. De begeleider legt uit hoe de zwarte was wordt bewerkt. Hij/zij duwt, knijpt en kneedt in de was met zijn handen en vingers om de was warm en zacht te laten worden om hiermee te kunnen boetseren of modelleren.

De begeleider laat zien hoe het beeld met speciale gereedschappen zoals spatels wordt bewerkt om het een zacht oppervlak te geven, of het juist ruw te laten.

In het atelier staat een lange tafel, waar aan gewerkt wordt. De begeleider geeft ze ieder een stuk zwarte was, waarmee ze kunnen spelen/kneden, laat zien hoe de was en klei gekneed wordt en vanzelf een vorm in kan zien, zoals van een dier en hoe een beeldje kan ontstaan, dat uniek is.

De kinderen kunnen - wanneer de vorm van de steen zich daarvoor leent - deze namaken in was en/of een figuur of ding in beeld brengen wat ze er in zien, als associatie. De begeleider helpt om dit vorm te geven en toont mogelijkheden. Sommige kinderen weten meteen wat ze willen maken, raken soms geïnspireerd door de omgeving. Anderen weten het nog helemaal niet en duurt het enige tijd voordat er ‘iets’ komt, of ze gaan elkaar nadoen. 

We gaan uit van de gedachte dat creativiteit of inspiratie op den duur vanzelf ontstaat wanneer er ruimte voor gegeven wordt; er is kortom vertrouwen in de fantasie van het kind. In dit proces speelt mooi of lelijk geen rol en er wordt ook niet naar een kant en klaar werkstuk gestreefd. De begeleiding mengt zich ook niet letterlijk in het werk van het kind, om het zogenaamd te ‘verbeteren’. Het laat het aan het kind over en stuurt bij in het geven van suggesties, mogelijkheden of stellen van vragen.